Gehoor
Horen en luisteren zijn niet hetzelfde. Horen heeft te maken met de geluiden die het oor binnenkomen; luisteren heeft te maken met wat je met die geluiden doet. Om te kunnen luisteren moet je kunnen horen. Als je luistert, maak je een keus uit wat je hoort, je laat het tot je doordringen. Luisteren kun je zelf beïnvloeden, maar luisteren moet je wel leren.
Waaraan kun je nu merken of iemand niet goed hoort of moeite heeft met luisteren?
- Men reageert niet als men geroepen wordt; men lijkt ‘Oost-Indisch’ doof.
- Men schrikt van onverwachte geluiden.
- Men zegt vaak: ‘he?’.
- Men praakt opvallend hard.
- De t.v. moet steeds luider.
- Men kijkt gespannen naar de mond van degene die praat.
- Eenvoudige opdrachten of verhaaltjes worden niet begrepen.
- Sommige woorden worden niet goed uitgesproken.
Een arts kan vaststellen of uw kind of u goed hoort of niet. Als vaststaat dat uw kind goed kan horen, maar u herkent toch iets van het bovenstaande, dan heeft uw kind waarschijnlijk moeite met luisteren. Gericht luisteren moet geoefend worden. Dit noemen we: het trainen van de auditieve functies.
Goed luisteren:
Om goed te leren praten en lezen, moet je goed kunnen luisteren. Als je luistert, richt je de aandacht op een bepaald geluid. Hoe beter je dat kunt, des te meer zul je verschillen in geluiden ontdekken, bijvoorbeeld: het verschil tussen de huisbel en de telefoonbel. Spraakklanken zijn ook geluiden. Als je praat, maak je van spraakklanken woorden en van woorden maak je zinnen. Om goed te kunnen praten, moet je dus goed kunnen luisteren. Geheugen en concentratie spelen daarbij ook een rol.
Een kind dat niet goed kan luisteren:
- Hoort bijvoorbeeld tap in plaats van tak, kaas in plaats van kaars, bos in plaats van bof, of mis in plaats van mes.
- Hoort een deel van de opdracht niet.
- Heeft moeite met het nazeggen van losse woorden en zinnen.
- Kan een liedje niet goed zingen of een versje niet goed nazeggen.
- Maakt fouten in dictees.
- Laat kleine woorden weg, als: de en er.
- Vervormt woorden, bijvoorbeeld: sinepomp voor benzinepomp of gehaaltje getellen voor verhaaltje vertellen.
- Kan niet goed rijmen.
Goed luisteren kun je oefenen,de logopedist heeft daarvoor allerlei suggesties.
Slechthorendheid:
Er kunnen verschillende oorzaken voor slecht horen zijn, zoals oorontsteking, langdurige verkoudheid, een aangeboren afwijking en andere keel-, neus- en oorklachten.
Bij verkoudheid kan het zijn dat een kind de ene dag beter hoort dan de andere. Daarom is het soms zo moeilijk te ontdekken dat een kind minder goed hoort. Omdat slechthorende kinderen de hele dag moeite moeten doen om alles goed te kunnen horen, kunnen ze sneller vermoeid raken dan goedhorende kinderen en zijn ze eerder uit hun doen.
Slecht horen betekent niet alleen minder horen, maar ook: anders of vervormd horen. Hierdoor is de kans op verkeerd begrijpen of verkeerd begrepen worden groot. Ook kan het kind proberen de woorden uit te gaan spreken zoals het ze hoort, bijvoorbeeld: bouter in plaats van kabouter, menaan in plaats van banaan. Als uw kind slecht hoort, moet er meestal een arts aan te pas komen.
De logopedist-akoepedist onderzoekt het gehoor en adviseert over gehoorapparaten. De therapie bestaat uit leren spraakafzien, articulatietraining en trainen van de luistervaardigheden.
Doofheid:
Er kunnen verschillende oorzaken voor doofheid zijn, zoals een aangeboren afwijking of ten gevolge van bijvoorbeeld bepaalde ziektes zoals Meningitis. Ook kan doofheid ontstaan door een ongeval, door virusinfecties of bijvoorbeeld als gevolg van lawaaibeschadiging. De therapie bestaat onder andere uit leren spraakafzien en articulatietraining.
